Boven in ons huis, in de kast op de gang, staat een grote bak, een bak waarin spulletjes zitten die ik zeker nooit wil weggooien, herinneringen veelal. De tekst die ik voorgelezen heb tijdens de crematie van mijn opa. Een truitje die gebreid is door mijn oma die ik zelf aan heb gehad als baby, maar mijn kinderen ook weer hebben gedragen. De eerste baby kleren die mijn kinderen hebben aangehad. En zo ook 1 medaille. Er is maar één moment geweest dat ik in een team speelde dat kampioen werd. Op zich is dat al een bijzonder iets toch. Soms als ik iets op moet zoeken blijf ik hangen, blijf ik kijken door de spullen met een glimlach en meestal een traan. Zo ook deze zondagochtend, ik hoor wat rinkelen in de bak, terwijl ik ergens anders naar op zoek ben. Dan zie ik hem liggen. Een klein goud dingetje, erop staat; ‘kampioen 2006-2007. Mijn enige echte enige kampioensmedaille en elke keer als ik denk aan die wedstrijd kan ik geëmotioneerd raken. Maar dat komt eigenlijk door het verhaal van het hele seizoen.

Dat seizoen speelde ik mijn eerste jaar bij Stanfries in IJlst. Een team met meiden die veelal in het onderwijs werkte of nog aan het studeren waren een mix in elk geval van belegen, jong belegen en jong! Een aantal hadden op vrij hoog niveau gevolleybald en een paar, in elk geval ik, die een poging deed om daarin aan te haken. Dat jaar werd mij gevraagd om de spelverdeling op me te nemen, en die uitdaging ben ik toen maar wat graag aangegaan. Na de warming-up was het altijd nog even klieren, spelletjes spelen, maar als we dan echt begonnen was het fel, fanatiek en ook wel luidruchtig. Want in diezelfde bak zit een CD met een training, dus bewijsmateriaal is aanwezig.

In het team speelde ook 2 zussen, dat had een rampscenario geweest kunnen zijn, maar deze 2 kunnen heel goed samen. Wytske wat meer aanwezig in en rondom het veld en Jeltsje tussen de regels door met humor of een duidelijke mening. Altijd bereid om je te helpen of te luisteren. In het ‘pottenboek’ werden de financiën bijgehouden en als ik die nu nog had, dan waren er nog veel meer herinneringen terug gekomen denk ik zo. Hun ouders sponsorde het dames 1 team ook, in mooie pakken liepen we dat jaar rond.

Dat seizoen had ik regelmatig last van buikpijn, het begon met af en toe een pijnlijk moment, tot echt wel momenten dat ik ziek was. Meerdere keren naar de huisarts geweest, prikken, pillen noem maar op. Maar nooit echt duidelijk – de pijn bleef. In het team overigens was er 1 die vanaf het begin af aan al zei; dat moet wel een blindedarmontsteking zijn. Echter had ik de pijn altijd aan de verkeerde kant en hoorde de signalen niet bij deze aandoening.

Er is even wat aanloop nodig in dit verhaal omdat alles straks in elkaar gaat samen vallen, dus even geduld nog!

Dat jaar liep ik mijn eindstage op een basisschool in Sneek. Ik stond al 4 dagen in de week voor de klas in mijn LIO-stage en voelde me als een vis in het water. Heerlijk met die kinderen, grapjes en de vrijheid om echt juf te mogen zijn.

Ik weet niet meer hoe laat het was, maar ik weet nog wel dat ik achter mijn bureau ging zitten om wat nakijk werk te doen en wat op te zoeken op de computer. In mijn herinnering is het rond lunch tijd op een maandag. Wanneer ik de computer open lees ik het bericht dat er een voetballer die zaterdag, van een club uit Sneek, is overleden. Zeer onverwachts in elkaar gezakt tijdens een voetbalwedstrijd.
Een teamgenoot die ook op die school werkt loopt toevalligs langs; ‘hey Kampman, wat ben je aan het doen’ zegt ze en komt vrolijk naast me zitten. Ze ziet het bericht ook. Ze schrikt, slaat haar hand voor haar gezicht. Ik kijk naast me, wat verbaasd trek ik mijn wenkbrauwen omhoog, wat is er vraag ik ? ‘Dit, dit gaat over de broer van Jeltsje en Wytske…Ik blijf haar even aan kijken, weer terug naar het bericht, weer terug naar haar, wat ongelovig staar ik haar aan, nee toch, probeer ik nog? Zie de tranen bij haar opkomen ze staat op van haar stoel en loopt wat heen en weer. Wat er precies daarna gebeurt weet ik niet meer, wat ik nog wel weet is dat we het adres achterhalen van hun ouders en een enorme bos bloemen sturen in overleg met onze teamgenoten. Ik weet niet helemaal meer zeker of we die maandagavond bij elkaar zijn gekomen om te trainen, ik denk van wel. Ik weet namelijk nog dat ik met lood in mijn schoenen die dag naar de training ging. Ik ken mezelf, ik kan al huilen voordat ik de hal binnen ben, omdat ik me zo inleef in de ander, maar ik vind dat ook zo stom. Ik kende hem niet, nog nooit gezien, maar ik kende hen ondertussen vrij goed. Ik vond het zo erg..
We knuffelen elkaar, je probeert dingen te zeggen die ergens op slaan, nou dat lukte echt niet met mijn 21 jaar. En toch gaan we trainen ik denk zelfs dat we ook de wedstrijd gespeeld hebben die zaterdag erop, juist spelen, juist sporten met elkaar dat had hij ook gewild werd er verteld.

De begrafenis was enorm, er waren zoveel mensen, zoveel mensen..we stonden bij elkaar als team, te blauwbekken in een gigantische rij te wachten om te condoleren. Naarmate we steeds beetje bij beetje bij de kerk komen voel ik het opkomen, zelfs nu ik het schrijf, dat intense verdriet wat je voelt en ziet om je heen. Daar ligt hij in een kist, veel bloemen om hem heen en ik geloof in een voetbalshirt. We knuffelen, we praten kort wat met elkaar, als team zijn we heel even samen. Een herinnering die leeft alsof het de dag van gisteren is wanneer ik er weer opnieuw bij stil sta.

En hoe waar het ook is, dat de tijd niet stil blijft staan, want het seizoen gaat gewoon door, we blijven trainen en spelen en het doel, kampioen worden, wordt steeds duidelijker en de kansen worden steeds groter.

Vrijdagavond, we spelen een wedstrijd, geen idee meer waar, maar het is ver rijden boven in Friesland. Ik ben niet lekker, weer die buikpijn. Heb koorts, maar ik wil spelen. Ik wil mee doen, erbij horen. Als vrij snel merk ik tijdens het inlopen dat het echt niet gaat, het kan echt niet. Ik word op de bank gezet en ik word opgehaald, ik ben eventjes thuis tot dat ik van de huisarts door ga naar het ziekenhuis. Na bijna meer dan een half jaar buikpjin te hebben gehad blijkt het dan toch een blindedarmrotstekening te zijn. Ik word gelijk geopereerd en moet ook een paar dagen in het ziekenhuis blijven omdat ik niet tot eten kom. En wie staan er maandag in het ziekenhuis, Jel en Wyts. Ze staan een beetje te ‘ouwe hoeren’ dat ik een dikke aansteller ben en dat ik er wel weer dien te staan a.s. zaterdag, met een enorme glimlach. Niet in het veld, maar die zaterdag brengen mijn ouders me naar de hal en kijk ik de wedstrijd vanaf de bank. Dit is een team waar ik zo graag bij wil horen.

Enkele wedstrijden later is het dan zo ver, we worden kampioen. Wat een wedstrijd; tegen Drachten, we winnen met gemak. Veel publiek, veel bier, veel dansen op de tafel, veel bloemen van iedereen die is komen kijken. Een super gezellige tijd in de kantine en hoe het ontstaat of wie het heeft bedacht ik weet het niet meer. Ik geloof de trainer, ja, ik denk de trainer. Maar samen als team gaan we met elkaar naar het graf. Koud, mooi en verdrietig, ook hier is een herinnering in mijn hoofd als een film die in slow-motion voorbij komt. We brengen de bloemen die gewonnen zijn, gebracht door iedereen die kwam kijken, samen met elkaar als team staan we daar.

Een kleine medaille een grote, hele grote herinnering. Waarin ik me zo graag met dit team wilde verbinden, de juiste dynamiek met elkaar. Iedereen gaf wat weg van zichzelf dat seizoen, gaf wat op, om uiteindelijk met elkaar als team er te staan.