Tijdens de diploma uitreiking op het CIOS kreeg ik een briefje. Een persoonlijke boodschap voor een ieder uit de klas. En stel je even het volgende beeld voor; in een deel van de sporthal, de ouders die meer waren zitten op een tribune, en de gene die zijn diploma in ontvangst mocht nemen klom een scheidsrechtersstoel op die ze ook bij een volleybalwedstrijd gebruiken. Tenminste zo ging het in mijn herinnering. Eenmaal zittend op de stoel, die ik niet heel charmant beklom, begon het praatje van de docenten, deze heb ik bewaard en ging als volgt;
‘Een prima stage, geen groepsdier, laat mij mijn gang maar gaan ik regel het wel. Had dit jaar toch Cambrige examen moeten doen. De PABO is de volgende stap’.

Als ik terug kijk naar mezelf snap ik vanuit de docenten dit praatje helemaal. Geen groepsdier was het gedrag wat ik had, niet zozeer het verlangen in mij.
Maar hoe los je die strijd op in jezelf, toch resultaten halen omdat je een drive in jezelf hebt dat je continue het beste uit jezelf wilt halen, maar ook nog geaccepteerd worden door de groep. Het lukte mij niet die twee met elkaar te combineren en ging in die jaren hard onderuit. Mijn ouders schakelde hulp in om mij daarin verder te helpen. Daarin leerde ik dat ik vooral zo deed om het goed te doen van mezelf, dus liet ik gedrag zien dat voor een ander overkwam alsof ik altijd alles zelf wilde doen, moeilijk in de groep kon samenwerken, maar dat harde werken was alleen maar bedoeld voor; ‘zie mij, ik doe het toch goed?’ En ondertussen had ik mezelf onbewust op zo’n voetstuk neergezet dat ik alleen maar kon vallen.
Je bent helemaal niet jezelf als je ondertussen zo bezig met alles om je heen. Hoe kunnen zij je dan ook zien voor wie jij bent? En hoe kun jij nog ervaren wat er echt om je heen gebeurt?

Het praatje van deze docenten heeft me nog lang achtervolgd omdat ik mezelf altijd heb afgevraagd; ben ik dan geen groepsdier? Wat is dat dan een groepsdier? Waar moet ik dan aan voldoen? Onbewust heb ik hier ook aan gekoppeld; ik kan niet samenwerken. Dat heb ik jaren lang geloofd. Ergens klopt het dat ik graag op mezelf ben, en wil ik bepaalde ruimte om zelf beslissingen te mogen nemen. Vandaar misschien ook wel dat ondernemerschap. Maar ik vind het zo fijn om met andere mee te doen en het juist wel samen te doen. Samen ergens over praten, samen ergens over nadenken en dan weer verder kunnen bouwen.

Dat je iets samen wilt doen, mondt niet altijd uit tot samenwerking. Zo ketste er afgelopen maand een idee af van docentschap waar ik me op had verheugd, maar kwam er uit het niets een samenwerking tot stand met een grafisch ontwerpster die helemaal meedenkt in mijn huisstijl. Ik kende haar al, maar zonder dat ik het in de gaten had ontstond er een heel leuke samenwerking. Ik kan zeker niet wat zij kan, maar kan wel meedenken en ideeën opperen en door het samen te doen ontstaan er weer van alles.
Samenwerken zorgt ervoor dat het concept sterker wordt.

In de sport heb je ook een soort splitsing in individueel en teamsport, toch wordt er in beide takken van sport samengewerkt. Het kwam ook naar voren in de podcast met Peter Kool Smit – je staat alleen te vechten, maar je traint samen en bent betrokken in een team. Samenwerking vindt ook plaats binnen de staf. Je hebt vaak de trainer/coach, assistent, een manager en een fysiotherapeut. Iedereen kijkt vanuit zijn vakgebied en draagt hierin zijn steentje bij, je hoeft niet zozeer een groepsdier te zijn om toch met elkaar een gelijke visie naar buiten te brengen. Of mogelijk een ander geluid te laten horen over een zienswijze van een sporter zijn of haar gedrag. Ook dat is samenwerken, en zoals eerder benoemd in vorige blogs kun je daar open, eerlijk en nieuwsgierig naar kijken?